Analogie test doen? | Vind hier de oplosstrategieën
arrow_drop_up arrow_drop_down

Analogie test

Moet je binnenkort een analogie test maken? Dan is het verstandig om voorafgaand aan deze test te gaan oefenen. Hoe meer je gaat oefenen, hoe beter je de echte test kunt maken. Bij een assessment is de kans  groot dat je met analogieën te maken krijgt. De analogie test is de meest gebruikte intelligentietest door een assessmentbureau. Sommige mensen vinden deze test erg vervelend, anderen hebben er geen problemen mee. Er zijn ook mensen die het erg leuk vinden en het zien als een soort puzzel. Het is belangrijk om te weten wat analogieën zijn, dan kun je je namelijk beter voorbereiden op wat er komen gaat. Je vindt hier een voorbeeld, maar ook uitleg, oefeningen en uiteraard tips om de analogie test beter te kunnen maken.

Inhoudsopgave

  

Analogieën uitleg

Bij de analogie test gaat het over een verband tussen de begrippen die zijn weergegeven. Bij een assessment krijg je vier begrippen. Daarbij kan er een onderscheid gemaakt worden tussen de enkelvoudige analogie en de dubbele analogie. Het staat altijd in deze vorm weergegeven: A : B = C : D. Dit wil dus zeggen dat het verband tussen de begrippen A & B, hetzelfde moet zijn als het verband van de begrippen C & D. Let op, want er is een verschil, bij de enkelvoudige analogie is er maar een begrip weggelaten. Dat wil dus zeggen dat je maar een plek in hoeft te vullen. Er staan aan een kant van het = teken twee begrippen. Vaak kun je het verband dan al aflezen. Vaak wordt er dan ook begonnen met oefenen met de enkelvoudige analogie, dan heb je het principe snel te pakken. Je ontdekt door te oefenen hoe het in zijn werk gaat.

Analogie uitleg

Als er gekeken wordt naar de andere variant, de dubbele analogie, dan ontbreken daarbij twee begrippen. Het is dan ook een moeilijkere variant, want je moet in plaats van één, twee begrippen bepalen. Het is belangrijk dat je de tijd neemt om te bepalen wat het verband is tussen de begrippen. Vaak krijg je met deze variant te maken wanneer je hoger of academisch bent opgeleid. Dit komt omdat de opgaven lastiger op te lossen zijn en omdat de relatie niet altijd direct zichtbaar is. Soms moet je er echt even over nadenken wat het verband is. Je moet er dus echt moeite voor doen om te achterhalen welk woord je in moet vullen op de plaats die leeg is.

 

Analogie voorbeelden

Om het je duidelijker te maken, volgen er onderstaand een paar voorbeelden. Je hebt bijvoorbeeld de opgave wiel – … = kind – gezin. Is dat een stuur, een auto of een stoel? Uiteraard is het goede antwoord een auto. Het gaat namelijk over het geheel. Een wiel is een onderdeel van de auto en een kind is onderdeel van het gezin.

Een ander voorbeeld is: auto – rijden = telefoon –  …. . Is het mobiel, internet of bellen? Het goede antwoord is bellen. Functionaliteit staat hierbij centraal. Wat kun je met de auto? Rijden. Wat kun je met een telefoon? Bellen.

Analogieën tips

Verstopte regels

Bij de analogie test is het goed om de verstopte regels te kennen. Deze worden regelmatig gebruikt en daarom kun je deze maar beter doornemen en dan kun je ze ook sneller herkennen. De verstopte regels die je tegen kunt komen zijn:

  • Tegenstellingen/antoniemen
  • Synoniemen
  • Onderdeel van een geheel
  • Oorzaak, gevolg
  • Functionaliteit
  • Product

 

Regelmatig oefenen

Een andere tip die we je kunnen geven om je voor te bereiden op de analogie test is met een bepaalde regelmaat oefenen tot de dag van de test. Het is namelijk van groot belang dat je blijft oefenen. Hoe meer je oefent, hoe beter je weet wat er gedaan moet worden en zo kun je ook de snelheid te pakken krijgen. Je gaat sneller de verbanden zien tussen de begrippen en daar gaat het om. Probeer zelf ook analogieën te bedenken. Je krijgt daarmee tevens zicht op je woordenschat. Is die groot genoeg? Een woordenschat kan natuurlijk altijd groter worden, daar kun je aan werken. Dat is dan tevens de volgende tip.


  1. Uit : In, Onderin :
  2. Dichtbij
  3. Voor
  4. Bovenin
  5. Daarna

 

  1. Woede : Emotie, Kerst :
  2. Baan
  3. Maaltijd
  4. Kleding
  5. Feestdag

 

  1. Jazz : Muziek, Geometrie :
  2. Hobby
  3. Vorm
  4. Kleding
  5. Wiskunde

 

  1. Diepvries : Koud, Fornuis :
  2. Heet
  3. Dienen
  4. Eten
  5. Winkel

 

  1. Moeder : Vrouw, Vader :
  2. Boos
  3. Man
  4. Kind
  5. Dun

 

  1. Scene : Voorstelling, Hoofdstuk :
  2. Boek
  3. Liedje
  4. Drama
  5. Theater

 

  1. Priester : Kerk, Verpleegkundige :
  2. Circus
  3. Appartement
  4. Postkantoor
  5. Ziekenhuis

  1. Race : Wedstrijd, Feest :
  2. Carrière
  3. Vieren
  4. Dansen
  5. Gamen

 

  1. Achthoek : Acht, Triangel :
  2. Vier
  3. Drie
  4. Een
  5. Negen

 

  1. Sleutel : ontgrendelen, Weegschaal :
  2. Bescherming
  3. Antwoord
  4. Wassen
  5. Wegen

Antwoord

  1. Antwoord C. Onderin is het tegenovergestelde van bovenin.
  2. Antwoord D. Woede is een emotie als dat kerst feestdagen zijn.
  3. Antwoord D. Jazz is een onderdeel van muziek als dat geometrie een onderdeel van wiskunde is.
  4. Antwoord A. Diepvries is gemaakt om koud te maken als dat fornuis is gemaakt om te verhitten.
  5. Antwoord B. Kenmerk van een moeder is dat ze een vrouw is, als dat een vader een man is.
  6. Antwoord A. Scene is een deel van een voorstelling, als dat hoofdstuk een deel is van een boek.
  7. Antwoord D. Priester werkt bij een kerk als dat een verpleegkundige werkt in een ziekenhuis.
  8. Antwoord B. Een race is een manier  van een wedstrijd houden als dat feestje een manier van vieren is.
  9. Antwoord B. Een achthoek heeft acht hoeken, als dat een Triangel drie hoeken heeft.
  10. Antwoord A. Een sleutel wordt gebruikt om te ontgrendelen, als dat een weegschaal wordt gebruikt om te wegen.

Woordenschat

Vergroot je woordenschat. Hoe meer woorden je kent, hoe sneller jij de verbanden kunt zien. Als je de precieze betekenis van de woorden niet kent, is het lastig om de verbanden in te zien. Hoe ga je oefenen?

Woorden

  • Lees alles wat je tegenkomt. Hierdoor kom je iedere keer nieuwe woorden tegen en als je een woord niet kent dan zoek je de betekenis op. Je kunt je hierdoor namelijk nog meer woorden eigen maken en dat komt je ten goede bij de analogie test.
  • Ga in gesprek met anderen, ieder gebruikt zo zijn eigen woorden tijdens een gesprek. Ken jij de betekenis niet, vraag dan naar uitleg en zo kun je een begrip beter onthouden in een bepaalde context. Dit is voor je woordenschat goed, maar zo kun je het ook beter onthouden en herleiden naar een bepaalde situatie.
  • Kies analogie testen die je kunt oefenen. Begin bij de makkelijke variant en wanneer dat goed gaat kun je een moeilijke kiezen. Het gaat er om dat je de basis beheerst, weet hoe het werkt en dan kun je stapje voor stapje een moeilijkere opgave oefenen.
  • Weet je een woord niet? Sla dat dan over. Het kan namelijk altijd gebeuren dat je de betekenis niet kent en dan kun je beter een opgave overslaan dan minuten tijd verspillen aan het bedenken van de oplossing. Er zijn genoeg opgaven die je wel zo op kunt lossen. Daar kun je je dan beter oprichten.
  • Oefen ook op snelheid, want het gaat er om dat je binnen een bepaalde tijd zoveel mogelijk opgaven op kunt lossen. Als je de basis kent kun je er aan denken dat het goed is om op tijd te oefenen. Zorg dat je niet de tijd continu gaat bekijken, maar zorg wel dat je onder tijdsdruk kunt presteren.

Vragen

 

Oefenen analogieën

Wil je nog meer oefenen? Doe dan de assessment training. Met de assessment training kun je tegen een vergoeding levenslang veel gebruikte onderdelen van een IQ test onbeperkt oefenen. Op die manier zorg je er voor dat je beter presteert op een assessment en je zult hoger scoren voor een IQ test en de andere onderdelen. Klik hier om verder te gaan

 

Rick

Door

Rick

op 19 February 2016

‘Bellen’ staat tot ‘telefoon’ = ‘stoel’ staat tot …. a. meubel b. tafel c. zitten Kan iemand dit toelichten? Je geeft aan maak er een zin van ‘een telefoon gebruik je om te bellen’. ' Bellen(a) staat tot telefoon(b)' Woord B telefoon gebruik je dus voor woord A.. Een stoel(a) gebruik je om op te zitten(b)? Dit klopt toch niet want nu staat A(Stoel) niet tot B(zitten) maar staat B(zitten) tot A(stoel) immers er zou dan staan een Zitten gebruik je om te Stoel Aka : Bellen staat tot telefoon = zitten staat tot Stoel Klopt deze zin nou gewoon niet of doe ik iets verkeerds?

Clayton Vitor

Door

Clayton Vitor

op 25 March 2016

U heeft gelijk, het is aangepast ik hoop dat het nu wel duidelijk is!

Stanley Kraan

Door

Stanley Kraan

op 7 February 2017

Ruiten en ramen zijn geen synoniemen..

Reactie plaatsen

GRATIS E-BOOK

Download De TOP 10 Valkuilen van Assessments en voorkom dat je gaat falen bij je assessment door niet dezelfde fouten te maken als 70% van je medekandidaten.

50%
GRATIS E-BOOK
Wil jij je medekandidaten een stapje voor blijven?
Download gratis e-book