Analogieën | Zorg dat je klaar bent voor de analogie test
arrow_drop_up arrow_drop_down

Tijdens een assessment is de kans groot dat je met analogieën te maken krijgt. Het is daarom belangrijk dat je weet wat het zijn. Op deze pagina krijg je uitleg over analogieën, de verschillende soorten analogieën (verbale en dubbele analogieën), ook worden er voorbeelden gegeven en bieden wij je de kans om hier oefenen. Neem de tijd om alles zorgvuldig door te nemen, zodat je je goed kunt voorbereiden op de analogieën test en straks een mooie score zult behalen.

Inhoudsopgave

 

Analogieën uitleg

Bij de analogieën gaat het om verbanden tussen diverse begrippen. Tijdens een assessment krijg je vaak vier verschillende begrippen te zien. Deze staan altijd in de vorm A : B = C : D. Het verband van de begrippen A en B is dus gelijk aan het verband van de begrippen C en D. Er wordt een onderscheid gemaakt in verbale en dubbele analogieën.

 

Verbale analogieën

Je hebt de verbale analogieën, er is  hierbij maar een begrip weggelaten. Dit wil voor jou zeggen dat je dus maar op één plaats een antwoord in hoeft te vullen. Aan een kant van het = teken staan dus altijd twee begrippen ingevuld en aan de andere kant dien jij ervoor te zorgen dat er twee komen te staan, een ervan staat er al. Welk verband zie je? Puzzelen met de antwoorden is vaak niet nodig, meestal zijn het eenvoudige analogieën. Je kunt je erop voorbereiden door te oefenen.

 

Dubbele analogieën

Je hebt ook dubbele analogieën en dan zijn er twee begrippen niet ingevuld. Het is de moeilijke variant van de analogieën. Het is aan jou om twee begrippen in te vullen. Verbanden ontdekken is hierbij wel veel lastiger, want je hebt minder informatie. Het is belangrijk dat jij het verband gaat ontdekken tussen de begrippen, het kan zijn dat er beide kanten van het = een woord weg is gelaten, maar het kan ook zijn dat beide woorden aan een kant weg zijn gelaten. Als je deze variant gaat oefenen, is dat vaak omdat je een functie wil op hoger of academisch niveau. Je moet hierbij extra moeite doen om het antwoord te vinden. Veel oefenen zal je ook hierbij helpen.

Dubbele analogieën

 

Analogieën voorbeelden

Het is altijd verstandig om te oefenen. Wij bieden je die kans. We hebben onderstaand alvast drie voorbeelden voor je uitgewerkt.

Voorbeelden analogieën

Voorbeeld 1

Groot – Klein = Vuur –
A. Heet B. Vlam C. Water

Je gaat op zoek naar het woord aan het einde van de regel. Het gaat over tegenstellingen, het tegenovergestelde van vuur is antwoord C water.

 

Voorbeeld 2

Zaklamp – Licht = Koud –
A. Bibberen B. Warm C. Deken

Het gaat hierbij over oorzaak en gevolg, als je een zaklamp hebt dan geeft deze licht. Als je het koud hebt dan ga je bibberen, dus antwoord A is goed.

Voorbeeld 3

Moeder – Mama = Raam –
A. Deur B. Ruit C. Glas

Het gaat over synoniemen. Moeder is een ander woord voor mama, raam is een ander woord voor ruit. Antwoord B is dus het goede antwoord.

 

Analogieën test

Behalve veel oefenen is het ook erg handig om de oplosstrategie en tips te kennen. Combineer deze kennis met het oefenen, zodat jij straks kunt genieten van een prachtig resultaat. Deze intelligentietest hoeft geen onderdeel meer te zijn waar je je zorgen om maakt als jij tijd en energie steekt in de voorbereiding. Ontdek hier de oplosstrategie en tips. Nog een paar tips voor jou:

Er zijn verschillende tips die je toe kunt passen bij het oefenen van de analogieën. Lees ze op je gemak door, zodat je deze tijdens tijdens het oefenen en bij de echte test toe kunt passen:

  • De verstopte regels kom je vaak tegen, zoals tegenstellingen, synoniemen en oorzaken en gevolg. Je gaat door te oefenen steeds sneller de verbanden zien dus het is van belang dat je goed blijft oefenen.
  • Zelf analogieën bedenken is ook een goede keuze. Je gaat hierdoor zelf nadenken over welke verbanden je kunt leggen tussen woorden. Dit is ook een goede voorbereiding op de analogieën test.
  • Woordenschat uitbreiden. Het is van belang dat je veel woorden kent. Hierdoor kun je namelijk de betekenis van de woorden herkennen en daardoor dus beter de verbanden ontdekken. Het is daarom goed dat je veel blijft lezen en de betekenis van woorden die je niet kent op gaat zoeken. Daarnaast is het ook aan te raden om veel met mensen in gesprek te gaan. Je leert altijd nieuwe woorden en als je een woord niet kent kun je de betekenis vragen. De kans is groot dat je hierdoor het woord beter kunt onthouden in een bepaalde context.
  • Plan het oefenen. Een goede planning geeft je een prima houvast, iedere dag maak je enkele opgaven en zo merk je dat je vaardiger wordt. Je zult ook opmerken dat je steeds sneller de verbanden gaat zien. Het is daarom belangrijk om een aantal keren per dag te oefenen, zodat jij je deze stof eigen gaat maken.
  • Met regelmaat oefenen en herhalen. Hierdoor zorg je dat je het beter blijft onthouden en je ontdekt steeds gemakkelijker en sneller welke verbanden er voorkomen. Begin altijd bij eenvoudige opgaven, zodat je de bedoeling snapt en wanneer dat goed gaat kun je altijd een stapje verder gaan en moeilijke, dus de dubbele analogieën, oefenen.

Testing

  

 

 

 

 

 


Analogieën

 

 

 

 

Analogieën oefenen

  1. Uit : In, Onderin :
    A. Dichtbij
    B. Voor
    C. Bovenin
    D. Daarna

  2. Woede : Emotie, Kerst :
    A. Baan
    B. Maaltijd
    C. Kleding
    D. Feestdag

  3. Jazz : Muziek, Geometrie :
    A. Hobby
    B. Vorm
    C. Kleding
    D. Wiskunde

  4. Diepvries : Koud, Fornuis :
    A. Heet
    B. Dienen
    C. Eten
    D. Winkel

  5. Moeder : Vrouw, Vader :
    A. Boos
    B. Man
    C. Kind
    D. Dun

  6. Scene : Voorstelling, Hoofdstuk :
    A. Boek
    B. Liedje
    C. Drama
    D. Theater

  7. Priester : Kerk, Verpleegkundige :
    A. Circus
    B. Appartement
    C. Postkantoor
    D. Ziekenhuis

  8. Race : Wedstrijd, Feest :
    A. Carrière
    B. Vieren
    C. Dansen
    D. Gamen

  9. Achthoek : Acht, Triangel :
    A. Vier
    B. Drie
    C. Een
    D. Negen

  10. Sleutel : ontgrendelen, Weegschaal :
    A. Bescherming
    B. Antwoord
    C. Wassen
    D. Wegen

 

Antwoorden:

  1. Antwoord C. Onderin is het tegenovergestelde van bovenin.
  2. Antwoord D. Woede is een emotie als dat kerst feestdagen zijn.
  3. Antwoord D. Jazz is een onderdeel van muziek als dat geometrie een onderdeel van wiskunde is.
  4. Antwoord A. Diepvries is gemaakt om koud te maken als dat fornuis is gemaakt om te verhitten.
  5. Antwoord B. Kenmerk van een moeder is dat ze een vrouw is, als dat een vader een man is.
  6. Antwoord A. Scene is een deel van een voorstelling, als dat hoofdstuk een deel is van een boek.
  7. Antwoord D. Priester werkt bij een kerk als dat een verpleegkundige werkt in een ziekenhuis.
  8. Antwoord B. Een race is een manier  van een wedstrijd houden als dat feestje een manier van vieren is.
  9. Antwoord B. Een achthoek heeft acht hoeken, als dat een Triangel drie hoeken heeft.

Antwoord A. Een sleutel wordt gebruikt om te ontgrendelen, als dat een weegschaal wordt gebruikt om te wegen.

 

Wil je nog meer oefenen? Doe dan de assessment training. Met de assessment training kun je tegen een vergoeding levenslang veel gebruikte onderdelen van een IQ test onbeperkt oefenen. Op die manier zorg je er voor dat je beter presteert op een assessment en je zult hoger scoren voor een IQ test en de andere onderdelen. Klik hier om verder te gaan

Reactie plaatsen

GRATIS E-BOOK

Download De TOP 10 Valkuilen van Assessments en voorkom dat je gaat falen bij je assessment door niet dezelfde fouten te maken als 70% van je medekandidaten.

50%
GRATIS E-BOOK
Wil jij je medekandidaten een stapje voor blijven?
Download gratis e-book